Kan vertellen over verschillende middelen en de effecten van deze middelen
Herkent verschillende vormen van verslaving
Herkent de risico's voor zichzelf
Herkent groepsdruk en de invloed van middelen gebruik
Past weerbare vaardigheden toe
Waar werk je aan?
Je verkent wat de cliënt al van verslaving weet. Welke middelen en soorten verslavingen zijn er, wat gebruikt de cliënt zelf wel eens en wanneer? Wat zijn de gevolgen van middelengebruik, of bijv. van een gameverslaving? Je werkt aan bewustzijn hoe een groep de baas kan zijn en hoe moeilijk het is om je eraan te onttrekken. Hoe je je kunt voelen (complexe gevoelens, groot en klein). En dat je een keuze hebt, meedoen of niet. Vervolgens oefen je met weerbare vaardigheden als nee-zeggen, uit de situatie lopen en hulp vragen.
De eerste stap bi dit thema is het geven van kennis. Schakel altijd een gedragsdeskundige in om samen een beeld te vormen. Wanneer er sprake is van een verslaving is samenwerking met verslavingszorg nodig.
Hoe bouw je het op? en crossovers
De opbouw van het materiaal is chronologisch: je werkt van stap 1 naar 2, 3, enzovoort. Begin bij het werkblad. Hierin wordt verwezen naar andere werkvormen die je kunt gebruiken (praatplaat, spel, enz.). Mensen met een verstandelijke beperking laten je duidelijk merken of je aansluit op hun interesse, taal en niveau. Wat al bekend is, behandel je kort of sla je over. Vraag altijd aan je cliënt: Wat vind je hiervan? voordat je iets overslaat.
In de werkbladen kom je cross-overs tegen. Een cross-over is een verwijzing naar materiaal uit eerdere thema’s die je kan inzetten. Bijvoorbeeld: voor herhaling of verdieping.
Hoe past de cliënt het toe?
Rapporteer aan welk doel je gaat werken. Schrijf al je bevindingen op en evalueer. Stel bij als het ‘te snel, te moeilijk of te makkelijk’ is voor je cliënt. Zoek oefensituaties en herhaal. Bespreek wat de cliënt kan en aankan.