Benoemt veranderingen als je gaat samenwonen of trouwen
Kent eigen verwachtingen en die van diens partner over samenwonen of trouwen
Herkent en benoemt (complexe) gevoelens in een relatie
Oefent vaardigheden hoe om te gaan met misverstanden en conflicten
Waar werk je aan?
Je werkt van kennis over relaties naar de wederzijdse verwachtingen, en wensen. Je werkt aan het begrip van het romantische beeld van samenwonen en wat het in werkelijkheid vraagt. Samenwonen of trouwen is prettig – en soms ook niet prettig. Je bespreekt complexe gevoelens, zoals jaloezie en ruzie. Je oefent de vaardigheden om ermee om te gaan: rustig worden en zeggen wat je dwarszit. Je verdiept eerder geoefende reacties: niets zeggen, boos worden of praten. Ook de gevoelens groot en klein komen terug: bijvoorbeeld als de ander de baas speelt. Tot slot verdiep je het begrip van actie – en reactie zodat kleine ergernissen geen grote ruzies worden.
Hoe bouw je het op? en crossovers
De opbouw van het materiaal is chronologisch: je werkt van stap 1 naar 2, 3, enzovoort. Begin bij het werkblad. Hierin wordt verwezen naar andere werkvormen die je kunt gebruiken (praatplaat, spel, enz.). Mensen met een verstandelijke beperking laten je duidelijk merken of je aansluit op hun interesse, taal en niveau. Wat al bekend is, behandel je kort of sla je over. Vraag altijd aan de cliënt: Wat vind je hiervan? voordat je iets overslaat.
In de werkbladen kom je cross-overs tegen. Een cross-over is een verwijzing naar materiaal uit eerdere thema’s die je kan inzetten. Bijvoorbeeld: voor herhaling of verdieping.
Hoe past de cliënt het toe?
Rapporteer aan welk doel je gaat werken. Schrijf al je bevindingen op en evalueer. Stel bij als het ‘te snel, te moeilijk of te makkelijk’ is voor de cliënt. Zoek oefensituaties en herhaal. Bespreek wat de cliënt kan en aankan.