Kent diens eigen mogelijkheden en beperkingen als ouder
Waar werk je aan? Met de cliënt onderzoek je: wat betekent jouw kinderwens? En welke kennis heb je van kinderen en opvoeden. Wat betekent het om ouder te zijn? En ouder te zijn in de verschillende levensfasen: van een baby naar schoolkind naar uit huis? Wat heb je daarvoor nodig: praktisch inzicht, opvoedvaardigheden, en wat vraagt het emotioneel gezien van je? Het daadwerkelijk wel of niet kiezen voor ouderschap is de laatste stap. Kies je er wel voor, dan kies je ook voor een ander leven en een andere toekomst. Dit bewust te zijn, daar werk je aan. De eerste stap is dat de cliënt diens verhaal kan doen, zonder (voor)oordelen van buitenaf. Het belangrijkste is dat de kinderwens er mag zijn. Schakel ook andere professionals in om samen een beeld te vormen.
Hoe bouw je het op? en crossovers
De opbouw van het materiaal is chronologisch: je werkt van stap 1 naar 2, 3, enzovoort. Begin bij het werkblad. Hierin wordt verwezen naar andere werkvormen die je kunt gebruiken (praatplaat, spel, enz.). Mensen met een verstandelijke beperking laten je duidelijk merken of je aansluit op hun interesse, taal en niveau. Wat al bekend is, behandel je kort of sla je over. Vraag altijd aan de cliënt: Wat vind je hiervan? voordat je iets overslaat.
In de werkbladen kom je cross-overs tegen. Een cross-over is een verwijzing naar materiaal uit eerdere thema’s die je kan inzetten. Bijvoorbeeld: voor herhaling of verdieping.
Hoe past de cliënt het toe? Rapporteer aan welk doel je gaat werken. Schrijf al je bevindingen op en evalueer. Stel bij als het ‘te snel, te moeilijk of te makkelijk’ is voor de cliënt. Zoek oefensituaties en herhaal. Bespreek wat de cliënt kan en aankan.