Is zich bewust welke mensen belangrijk voor hem zijn en waarom
Herkent wat hij zelf betekent voor de ander
Kan omgaan met verandering in zijn netwerk
Oefent vaardigheden: uitbreiden en onderhouden van netwerk
Waar werk je aan?
Je werkt aan het begrip van wat een netwerk is, het nut ervan en wat het van je vraagt. Een netwerk opbouwen is niet vanzelfsprekend voor cliënten. Je moet er contacten voor aangaan en ze vervolgens onderhouden. Je maakt keuzes wie je aardig vindt en wie niet. Je verkent met je cliënt wat mensen voor hem doen en wat hij zelf kan doen voor de ander. Zo verdiep je het besef dat ieder contact een andere betekenis kan hebben. En wat je cliënt voor de ander kan betekenen. Een netwerk kan veranderen, zonder dat je dat wilt. Dit kan teleurstelling en verdriet geven. Je oefent met het praten over gevoelens (prettig – niet prettig, basisgevoelens).
De eerste stap is het in kaart brengen van het netwerk van je cliënt. Hoe bouw je het op? en crossovers
De opbouw van het materiaal is chronologisch: je werkt van stap 1 naar 2, 3, enzovoort. Begin bij het werkblad. Hierin wordt verwezen naar andere werkvormen die je kunt gebruiken (praatplaat, spel, enz.). Mensen met een verstandelijke beperking laten je duidelijk merken of je aansluit op hun interesse, taal en niveau. Wat al bekend is, behandel je kort of sla je over. Vraag altijd aan je cliënt: Wat vind je hiervan? voordat je iets overslaat.
In de werkbladen kom je cross-overs tegen. Een cross-over is een verwijzing naar materiaal uit eerdere thema’s die je kan inzetten. Bijvoorbeeld: voor herhaling of verdieping.
Hoe past de cliënt het toe?
Rapporteer aan welk doel je gaat werken. Schrijf al je bevindingen op en evalueer. Stel bij als het ‘te snel, te moeilijk of te makkelijk’ is voor je cliënt. Zoek oefensituaties en herhaal. Bespreek wat de cliënt kan en aankan.